• Tekst: Naar Das Urbummellied
  • Muziek: Carl Maria von Weber

1. De student is vrolijk man,
Juchheidi, juchheida,
Zingt en drinkt zoveel hij kan,
Juchheidi, heida,
Springt en lacht maar altijd voort,
En kent nergens droevig oord.

Keerzang
Juchheidi, heidi, heida
Juchheidi, juchheida,
Juchheidi, heidi, heida
Juchheidi, heida.

2. Komt hij ene herberg in,
Hij drinkt immer blij van zin
En is ‘t met het geld gedaan,
Nog blijft zijn pret bestaan.

3. Er blijft hem zo menig woon,
Waar men bier schenkt zonder loon,
En daarbij nog menig vriend
Die hem graag tot gastheer dient.

4. Daarom zingt hij op de straat,
Blijde zangen vroeg en laat,
Minnend elke schone maagd
Die hem om zijn hartje zaagt.

5. Munich, Hop, Jack-op of wijn,
‘t Kan hem nooit te vele zijn,
Altijd heeft hij honger, dorst,
Wijl hij zingt uit volle borst.

6. En zo leeft hij vrolijk voort,
In het schoon studentenoord,
Tussen boek en pijp en pint,
Waar elk meisje hem bemint.

7. Overal de vlag in top !
Held’re ogen, warme kop.
En de strijdzang langs de ree :
Vliegt de Blauwvoet? Storm op zee !

8. Leefden wij nog honderd jaar,
Nooit en rouwde ‘t onze schaar,
Al ons doen voor ‘t Vlaamse diet,
‘t Gildeleven, ‘t gildelied.