• Tekst: Jozef Simons (1888-1948)
  • Muziek: Armand Preud'homme (1904-1986)

Keerzang:
Kempenland, aan de Dietsche kroon
wonderfrisse perel;
Kempenland, welig-zoete woon
van den koenen kerel.

1. Op de heide gloort de zon
ons zoo stralend tegen,
of uit frisse hemelbron
ruist zo vro de regen;

2. Op de heide waait de wind,
vrij van haag en heg,
op de heide waait de wind
alle zorgen weg.

3. Op de heide staat een huis
rondom in het loover,
wolken blank of grauw als gruis
trekken traag daarover.

4. Op de heide, zoete meid,
hebt ge mij verkoren,
bij de gagel, voor altijd,
mij uw trouw gezworen.

5. Kempisch volk, zoo vroom en blij,
schoon van ziel en lijve,
harde tijden gaan voorbij,
maar een volk moet blijven.