• Tekst: Herman Broeckaert
  • Muziek: Emiel Hullebroeck

1. Daar stak op nen morgend, een jong maseurken
Zijn kapke door een spleetje van 't kloosterdeurken;
Cantemus Dominum!
Die wangjes, ze waren zo bleek, zo bleek,
En 't draaide zijn hoofdje en het keek, het keek
Naar alle kanten om...
Cantemus Dominum!

2. En ginder, ei zie! aan de kerk, bezijden;
Daar zag het er een huwelijkskoetsje rijden;
Cantemus Dominum!
Hoe glimmend dat bruidjes in 't wit, helwit!
Hoe pronkend in 't zwart gelijk git, daar zit
De fiere bruidegom!
Cantemus Dominum!

3. En verder daar stak het zijn kapke door 't deurken,
En 't stond op zijne teentjes het bleek maseurken;
Cantemus Dominum!
Hoe zoet is de tucht, kloeg het aangedaan
"In 't klooster van Sinten Arjaan, Arjaan,
O zalig heiligdom!"
Cantemus Dominum!

4. Toen heeft het zijn hoofdeken ingetrokken
Om rappekes het deurke weer toe te snokken;
Cantemus Dominum!
Het kropje in zijn keelke van groten nood
En 't krijste zijn oogjes zo rond, zo rood!...
Ach, bleke kloosterblom!
Cantemus Dominum!

Andere partituren